"Road no good", zegt de jonge Korfioot. Als ik zijn auto eens bekijk, is zijn beoordelingsvermogen op de kwaliteit van wegen heel relatief. In negatieve zin dan. De gedeukte oude Mazda krijgt ongetwijfeld heel wat onverharde kilometers voor de kiezen. Toch heeft hij net in houtje-touwtje-engels bevestigd dat dit de onverharde doorsteek is naar Strinylas, de weg waar ik naar op zoek ben. Nog één grijns en een zwaai en weg is hij weer.
Ik kijk nog eens naar boven. Het pad, want meer is het niet, loopt belachelijk steil de berg op. Maar ik ben niet echt het type dat van een gemaakt plan afwijkt... Dus ik keer om, schakel terug en draai het pad in. Het is 21 oktober. Mijn vakantie op Korfoe is bijna ten einde. Ik heb me deze vakantie maar één sportief doel gesteld en heb er ook maar één kans voor. Vandaag moet het dus gebeuren. Een dik half uur geleden ben ik van ons huisje in Acharavi vertrokken. Ik heb al zo'n 200 meter geklommen, maar nu gaat het toch echt beginnen.
Al na een minuut twijfel ik aan mijn beoordelingsvermogen en aan mijn conditie. Maar dan gaat het ruwe, stenige pad over in geribbeld beton en nog even daarna vlakt het een beetje uit. Even een beetje adem... om na een bocht weer steil te klimmen. En zo blijft het wel even. Slinger na slinger stijg ik langs olijfboomgaarden. Het duurt nog wel even voor de olijven hier geoogst worden en ik rijd in mijn dooie eentje de berg op. Het moet toch een keer minder erg worden? Ik kan mezelf net in beweging houden op het lichtste versnellinkje dat mijn gehuurde MTB te bieden heeft. De rechte stukjes bestaan uit losliggende stenen en in de bochten is korrelig, geribbeld beton gestort. Logisch: anders zouden die binnen de kortste keren weggereden worden en blijft er geen pad meer over. Steiler dan dit is niet te rijden. Als ik niet over mijn voorwiel blijf hangen, gaat het bij elke trap de lucht in.
Na het zoveelste oeverloos steile bochtje blijf ik even staan om achterom te kijken. Ik kan de zee weer zien, heb aardig wat hoogte gewonnen. Het is dus wel ergens goed voor.
Dan kijk ik weer voor me. Het kan toch niet ver meer zijn? Ik stijg zo veel in korte tijd, dat het op een gegeven moment wel moet uitvlakken. Net voordat ik van mijn fiets dreig te vallen van vermoeidheid, gebeurt het ook. Ik fiets eigenlijk een pas over om in Strinylas te komen. De gewone weg loopt om deze berg heen. Niet dat het nu echt vlak wordt, trouwens. Het pad golft op en neer en hoewel ik pas twintig minuten alleen ben, lijkt het veel langer. Mijn bidon is inmiddels meer dan half leeg. Er kunnen er geen twee op deze fiets en ik heb er niet aan gedacht een extra fles in mijn rugzakje te stoppen. Rund. Geen goed moment voor doemdenken, maar ik realiseer me dat dit de minst handige plek is om van mijn fiets te vallen. Het pad is volstrekt verlaten en te oordelen naar de vele niet-platgereden geitenkeutels zijn er al dagen geen voertuigen langsgekomen.
Gelukkig zijn de geiten een stuk schrikachtiger dan de gemiddelde hond op dit eiland. Zodra ik er aan kom, rennen ze van het pad af. En gelukkig kom ik geen enkele hond tegen. Daar heb ik nu echt even geen puf voor. Bovendien heb ik de dazzer thuisgelaten.
Op het moment dat ik me wat ga ontspannen en eens probeer in te schatten hoe ver Strinylas nog is, begint het pad weer angstwekkend te stijgen.
Dit is toch iets andere koek dan het relaxte onverharde fietsen wat ik op eerdere fietsvakanties tegenkwam. Natuurlijk zat daar ook wel eens een steile helling in en maakte het fietsen met bepakking het niet altijd even gemakkelijk, maar nu moet ik toch voor de zoveelste keer maximaal aanzetten om uberhaupt vooruit te komen.
In mijn fietsboekje las ik eerder dat het stuk van Strinylas naar de Pantokrator in elk geval gelegenheid geeft om even op adem te komen, voordat je om de top te bereiken nog een kilometer steil moet klimmen. Heel even gaat de gedachte door me heen dat ik mezelf dit keer overschat heb. Hoe veel heb ik nou eigenlijk gefietst, de laatste jaren? En heb ik niet veel te veel gewerkt en te weinig naar mijn lichaam geluisterd? Ik ben blij dat ik geen hartslagmeter mee heb. Gek zou ik zijn geworden van het gepiep "maximum hartslag bereikt"... en ik stop nog een keer om een beetje op adem te komen. Of doe ik het voor het stoere verhaal thuis, om eens goed om me heen te kijken. Het prachtige landschap in me op te nemen en nog een foto te maken?
In elk geval is de omgeving weergaloos. Dat ik hier geen mens tegenkom, maakt het alleen maar mooier. Maar dat verdomde Strinylas mag nu wel snel opduiken... Ik worstel me over een bergrugje en inderdaad, daar zie ik de huisjes voor me. Nog een slinger langs de berghelling en een korte klim naar de weg en ik ben weer op asfalt aangeland. Precies op de plek waar een restaurantje zit, met een mountainbike voor de deur. De bijbehorende fietser kijkt vanaf het terras naar me met een blik die zegt "waar komt deze gek vandaan". Ik roep iets wazigs "To Pantokrator, this way?!" en krijg, natuurlijk, in onvervalst Nederlands "Ja!" terug. Ik maak nog een slinger, lazer van uitputting bijna van mijn fiets en peddel het dorp door. Even drinken en op adem komen. Ik weet nu dat ik nog zo'n 200 meter te klimmen heb. Ik heb al 700 meter geklommen en ben een uur en een kwartier onderweg. Het stuk onverhard was belachelijk zwaar, maar de rest moet toch te doen zijn?
Uit Strinylas daalt de weg licht, om na de afslag naar Pantokrator weer wat te stijgen. Niets spannends. Dan slinger ik een bocht door en heb uitzicht op de top. De vergelijking met die andere kale berg dringt zich op. Ook hier een toren. Geen stenen ding uit het verleden trouwens: een zendmast. Maar toch. Als ik de top nader, torent het laatste stukje steeds meer boven me uit. Uit ervaring weet ik dat een weg er altijd steiler uitziet, dan het uiteindelijk is om overheen te fietsen. Maar nu twijfel ik toch danig aan mezelf. Dit ziet er niet helemaal normaal uit.
Als ik de laatste klim inzet, zie ik dat veel toeristen hun auto beneden laten staan en wandelend het laatste stuk willen doen. Wellicht is boven geen parkeerplaats? Maar de reden is simpeler. Men durft hier niet omhoog. Ook nu weer dat geribbelde beton in de absurd steile bochtjes. Een Deawoo Matiz komt achteruit de berg af zakken, met twee verhitte Engelsen aan boord. Autorijden, het lijkt zo gemakkelijk. Niet hier. Maar ik ben nu ook snel vergeten dat ik dit voor mijn lol doe. Dit heeft niets meer met sport en helemaal niets met plezier te maken. Dit is harken. Uit principe doortrappen omdat je jezelf niet meer in de spiegel wilt bekijken als je afstapt voordat je boven bent. Het zal toch gloeiendegvd niet waar zijn? Afstappen op een of andere onbenullige Griekse berg? Heb ik dan toch te veel met mijn krachten gesmeten op dat onverharde stuk? Zinnig nadenken is er nu ook niet meer bij. De wereld verkleint zich tot een meter voor mijn voorwiel. Tot ik bij mezelf bedenk dat als er nóg een bocht komt, ik afstap. Maar de bocht die komt, is de laatste. Ik draai er in en kan ineens aan de andere kant de berg weer af kijken. Over Albanie. Met het laatste beetje energie fiets ik tot het echt niet verder kan. Het kloosterhek.
Boven.
Gehaald.
Dit nooit meer.
Als het kon, zou ik het morgen weer doen.
-+-+-+-
Foto's van mijn mobiel:
Ik heb mijn klim via GPS op Endomondo bijgehouden. Klik op het hoogteprofiel voor meer info:
En de afdaling? Dat is weer een heel ander verhaal!
Gerelateerde berichten